Nederland heeft teveel theaters

De laatste twaalf jaar steeg het aantal podia van 124 tot 158. Volgens een recente telling van de vereniging van schouwburgdirecteuren (VSCD) zijn er nog veertig nieuwbouwplannen en 82 renovatieplannen.
„En de bouwdrift gaat maar door”, aldus Langeveld. „Het gevolg is dat er veel kleine en middelgrote podia dicht bij elkaar staan. Met grotendeels hetzelfde aanbod waarin het kleinschalige amusement overheerst”.
Uit VSCD-onderzoek blijkt dat ook de theatersector vindt dat er te veel podia met beperkte capaciteit en te klein verzorgingsgebied zijn. Langeveld noemt als voorbeeld Helmond, Oss, Veghel en Uden met vier vergelijkbare theaters staan binnen een reisafstand van twintig minuten.
terug naar overzicht

reacties (2)

Martijn

Wel enigszins verwarrend en beschamend om te moeten constateren dat Hans Onno van den Berg, kennelijk de verpersoonlijking van één van de "founding fathers", nl. de VSCD, het nodig vindt om deze kersverse hoogleraar in een onderzoeksveld waar heel veel theatermakers en -directeuren wat van zouden kunnen leren, af te branden op basis van zijn inaugurele rede.
Jammer!

Hans Onno van den Berg

In de NRC van woensdag 20 mei j.l. interviewt Henk van Gelder de kersverse bijzonder hoogleraar in de podiumkunsten Cees Langeveld, met als kop ‘Nederland heeft teveel theaters’. Langeveld aanvaardde 2 dagen eerder zijn ambt aan de Erasmusuniversiteit met een oratie getiteld ‘Het drama van de podiumkunsten’. Daarin stelt Langeveld een aantal vragen waar hij in de komende jaren onderzoek naar wil doen. Hoe vindt besluitvorming over bouw en exploitatie van podia plaats? Waarop baseren gemeenten hun keuze voor plaats en omvang van een podium? Welke samenhang bestaat er tussen productie, aanbod, afname en presentatie? Welke rol spelen media en internet in de distributie van podiumkunst? Welke economische dan wel politieke of stedenbouwkundige ratio zit er achter de verschillende subsidiestromen die in de podiumkunsten omgaan? Deze vragen vormen het onderzoeksdomein waar Langeveld zich de komende jaren als bijzonder hoogleraar mee bezig zal houden. Het interview suggereert echter alsof hij zijn onderzoeksprogramma al heeft afgerond met ‘teveel theaters’ als ‘conclusie’. Deze conclusie is niet alleen prematuur, maar wordt ook op onjuiste gronden of zonder veel feitenkennis getrokken. Ik noem er een aantal.

In het interview wordt gesteld dat Nederland 156 theaters zou tellen. Dat is onjuist. Het zijn er tenminste 400. Van die 400 zijn er 156 lid van de VSCD. VSCD leden zijn allemaal podia die tenminste 75 voorstellingen per jaar geven, anders kunnen ze geen lid worden. Maar daarnaast kennen we nog ruim 70 poppodia (met een eigen vereniging), een aantal grote hallen en stadions waar podiumkunst wordt gepresenteerd (Gelredome, Arena, Ahoy), een kleine 100 culturele centra, kerken en dorpshuizen die met enige regelmaat concerten en voorstellingen geven en dan nog eens zeker 100 festivals van groot tot klein, die zorgen voor grote (Oerol) of meer intieme (Oude Muziek) presentaties van alle denkbare vormen van podiumkunst. Met elkaar is dat een ongekend rijk palet van gespecialiseerde gebouwen (musical, kleinkunst, klassieke muziek of kleinkunst), grote multifunctionele huizen met 3 soms 4 zalen waar zo ongeveer alles kan staan, kleinstedelijke multifunctionele podia of optredens in de open lucht of op straat.
Het interview doet alsof multifunctionaliteit ‘verkeerd’ zou zijn. Waarom is dat zo? Juist in de kleinere plaatsen is er publiek voor 80 of 100 voorstellingen per jaar. Op de andere 250 dagen wordt plaats geboden aan een rijk amateurleven, een muziekschool of een productiehuis, maar ook aan vergaderingen, feesten en partijen waar de plaatselijke bevolking voor allerhande sociaal culturele of zakelijke bijeenkomsten binnen komt. Zijn dat er teveel of te weinig? Waar meet je dat aan af ? De meeste theaters hebben een meervoudige opdracht waar podiumkunst maar één van de peilers van hun bestaan vormt. Is dat te versnipperd, of is dat juist mooi gespreid en verdeeld?

Zijn er dan misschien teveel theaters omdat het niet goed gaat met de podiumkunst in Nederland? Zijn er te weinig goede voorstellingen? Komt er te weinig publiek? Vooralsnog lijkt het tegendeel het geval. Er komen in Nederland jaarlijks ongeveer 2.500 nieuwe stukken uit in alle genres. Een goed lopend podium in een wat grotere gemeente met 3 zalen kan er daar jaarlijks 500 van laten zien. Het aantal kunstenaars dat geen podium vindt is dus veel groter dan zij die er wel op komen. Teveel kunstenaars of te weinig theaters? 60% van de bevolking gaat gemiddeld 3 keer per jaar naar een voorstelling of concert. Met elkaar zijn dat 16 miljoen bezoeken, ruim drie keer zoveel als het aantal bezoeken aan het betaalde voetbal. Dat aantal is de afgelopen 20 jaar ook nog eens sterk (20%) gegroeid.

Zitten de zalen leeg? Dat komt zeker voor. Maar tegelijk is 25% van de 40.000 voorstellingen die er op de VSCD podia staan uitverkocht. ‘Als ik ergens heen wil is het altijd uitverkocht’, noemen 2,5 miljoen mensen als één van de belangrijkste redenen dat ze niet naar een voorstelling of concert gaan, terwijl ze dat wel zouden willen. Zijn er dus teveel mensen die naar een theater willen ? Of zijn er misschien te weinig theaters?

Zijn podia te duur? Wordt er door gemeenten teveel geld op toegelegd? De kostprijs van een theater is de afgelopen jaren sterk gestegen. Niet alleen de bouwkosten zijn door de hoge technische eisen sterk opgelopen, maar ook de exploitatie vraagt meer subsidie dan 20 jaar geleden. Maar afgezet tegen de totale kosten van een VSCD podium is het aandeel subsidie de afgelopen jaren gedaald van 45% naar 39% van de exploitatie, bij poppodia is dat zelfs maar 20%. De rest wordt verdiend met kaartverkoop en al die andere activiteiten die er plaats vinden. Is dat te duur ? Is dat te klein ? Is dat teveel ?

Het interview stelt dat er bouwplannen zijn bij zeker 50 gemeenten. Dat klopt niet . Er zijn (ver)bouwplannen bij 80 gemeenten voor maar liefst 110 podia. Er staat voor ca. 1,2 miljard aan ideeën, voorstellen, of concrete bouwplannen voor theaters en podia op de rol. Is dat teveel? Gemeenten vinden zelf van niet. Want een ´eigen´ theater doet voor een gemeente veel meer dan dat er voorstellingen en concerten te zien en te horen zijn waar mensen graag naar toe gaan. Mensen willen graag wonen in een stad waar ze een theater of concertzaal hebben. De aanwezigheid van een theater komt voor mensen die ergens een huis willen kopen op de vierde plaats in de afwegingen tot verhuizen. Huizen in gemeenten met een theater zijn duurder dan huizen in een gemeente zonder.

Vinden de theaters zelf dat ze met teveel zijn? Het interview suggereert dat wel en doet dat nota bene onder verwijzing naar een rapport dat vorig jaar in opdracht van onze vereniging is verschenen onder de titel ‘Er kan zoveel beter in de podiumkunsten’. Die conclusie wordt in dat rapport echter helemaal niet getrokken. Veel organisaties binnen de podiumkunsten, waaronder podia, maar ook gezelschappen, groepen en ensembles, zeggen in dat rapport dat zij zichzelf te klein vinden om een goede onderhandelingspositie tegenover elkaar te verwerven, om goed personeel te kunnen krijgen en vast te houden, over onvoldoende inkoopmacht beschikken tegenover het aanbod of voldoende kracht te hebben om de mogelijkheden van de media uit te kunnen buiten. Podia en gezelschappen vinden dus niet dat zij met teveel zijn, maar dat te velen van hen te klein zijn. Dat kan worden aangepakt door te fuseren, samen te werken en te professionaliseren.

Is er niks mis in de podiumkunsten? Kan er beter worden nagedacht over de bouw van een nieuw theater? Zijn alle beslissingen voldoende onderbouwd en economisch goed onderbouwd? Zijn er op basis van economisch onderzoek uitspraken te doen over de optimale schaal of voordelen van samenwerking of fusie van gezelschappen of podia? Dat is zeker het geval en de eigen onderzoeken en analyses van onze vereniging bieden daar alle aanknopingspunten voor.

Het is jammer dat het interview de suggestie wekt dat al deze interessante en relevante vragen al zijn onderzocht en de conclusie daarvan moet zijn; ‘Er zijn teveel theaters’. Vooralsnog kan met even veel recht worden gesteld dat er te weinig theaters zijn: er zijn kunstenaars die niet terecht kunnen, publiek wil komen maar kan geen kaarten meer krijgen, en de kosten zijn relatief gedaald. En de meeste theaters vullen heel veel avonden dat zij geen voorstelling hebben met andere activiteiten.
Dat kunnen ze in het voetbal niet zeggen. Als de eredivisie bereid zou zijn ook op maandagmiddag te spelen, hadden ze met 18 clubs aan één stadion ergens in het midden van het land, meer dan voldoende. Als ‘econoom van kerken’ zou ik meteen tot de conclusie komen dat er 50 keer teveel kerken zijn, want behoudens de anderhalf uur op zondag staan ze allemaal leeg. Je kunt immers best 50 erediensten per week in één kerk houden?

De VSCD feliciteert Cees Langeveld met zijn bijzonder hoogleraarschap en steunt hem ook in de toekomst van harte in zijn onderzoeksprogramma. Wel hopen we dat de conclusies dan getrokken worden na afloop van zijn onderzoek en niet al op voorhand.

Hans Onno van den Berg is directeur van de Vereniging van Schouwburg- en concertgebouwdirecties (VSCD), de branchevereniging van Nederlandse podia. De vereniging is één van de founding fathers van het leerstoel van Cees Langeveld.

Plaats een reactie

zoek in ledenlijst

ledenlijst

e-nieuws

inschrijven

of bekijk het
evenementen overzicht