Deze website maakt gebruik van cookies.

Geschiedenis

Geschiedenis
De strenge winter van 1946 / 1947 deed een zware aanslag op de toch al povere kolenvoorraad van Nederland. Ondanks dat een meerderheid der mijnwerkers en talloze vrijwilligers regelmatig hun vrije zondag opofferden om de fabriek draaiende te houden, was de regering genoopt tot het nemen van impopulaire maatregelen. De bevolking kon in eerste instantie worden ontzien maar verschillende openbare gebouwen, alsmede inrichtingen voor publiek vermaak zoals bioskopen, dancings en schouwburgen moesten eraan geloven. De levering van kolen werd gestopt, derhalve moesten de poorten worden gesloten.

Op een dinsdagmorgen in 1947 trotseerde de heren Deinum, Touw, Carpentier Alting en Bendien, schouwburgdirecteuren uit respectievelijk Haarlem, Rotterdam, Den Haag en Amsterdam, in alle vroegte de barre kou om in de Stadsschouwburg te Utrecht bij collega Houtman een voorvergadering te beleggen. Het was duidelijk dat de gebrekkige brandstofvoorziening slechts een aanleiding was geweest om de koppen eindelijk bij elkaar te steken. Al veel langer werd de noodzaak gevoeld om te komen tot het oprichten van een landelijke vereniging om zich als groep naar buiten toe te profileren. Evenals de Stichting Toneelcoördinatie, voorloper van het Centraal Coördinatiebureau voor het Toneel, zou de nieuwe vereniging een rol moeten vervullen in de stimulering en bevordering van de toneelkunst. Ten eerste wilde men een dialoog aangaan met deze stichting, al was het maar om de makers inzicht te verschaffen in de taak van de schouwburgdirecties. De behoefte om zich ook aan die horizon te laten zien, duidt op zijn minst op communicatiestoornissen tussen directies en toneelmakers, maar meer nog op de vooroordelen die leefden onder deze laatste groep jegens de ‘zaalboeren’.

Na de oorlog werde de stadsschouwburgen definitief opgenomen in het gemeentelijk subsidiebestel en al moest ook nu de inkomsten- en uitgavenbalans nauwlettend in de gaten worden gehouden, toch kregen zij een andere plaats in de vernieuwde podiumconstellatie. Eindelijk vormden ze een zekere en vaste schakel in de distributieketen van de podiumkunst. Daarnaast werd hun positie bepaald door het bestaan van door het Rijk gesubsidieerde standplaatsgezelschappen (Den Haag, Rotterdam en Amsterdam), of althans door een frequente bespeleing door die gezelschappen (Utrecht, Haarlem). In die tijd waren schouwburgen geen zalenverhuurbedrijven, waren ze niet enkel afhankelijk van kunstkringen en abonnementssystemen en hadden ze regelmatig vrij toegangkelijke voorstellingen.

Op 25 februari 1947 werd een reeks van schouwburgdirecteuren in Utrechtse Stadsschouwburg uitgenodigd en werd definitief besloten over te gaan tot de oprichting van een Vereniging van Schouwburgdirecties, de VSD. Een commissie werd ingesteld om de nodige voorbereidingen te treffen. De vereniging van Schouwburgdirecties, VSD, werd op 30 mei 1947 opgericht. Op 24 juni 1950 volgde Koninklijke goedkeuring. Herman Deinum (Haarlem) werd de eerste voorzitter. Overige bestuursleden waren de directeuren Houtman (Utrecht), Touw (Rotterdam), de Mooy (Alkmaar), Faber (Almelo), Piceni (Breda) en Waage uit Groningen.

Vanaf 1957 is de VSD omgedoopt tot de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties waar de afkorting VSCD uit af te leiden is. Anno 2014 bestaat de ledenlijst van de VSCD uit ruim 150 Schouwburgen, Concertgebouwen, Vlakke Vloertheaters en Festivals.

Uit: 100 huizen voor de muzen - zoeklicht op verenigde nederlandse podia door Rob van Gaal ter ere van het 40-jarige jubileum van de VSCD.